Cees Braakman: de ontwerper die Pastoe opnieuw vormgaf

Cees Braakman Pastoe

Cees Braakman (1917–1995) behoort tot de belangrijkste Nederlandse meubelontwerpers van de twintigste eeuw. Als hoofdontwerper van Pastoe speelde hij een bepalende rol in de ontwikkeling van het naoorlogse Nederlandse interieur. Zijn ontwerpen waren modern, functioneel en voor hun tijd vaak opvallend vooruitstrevend. Hij wist eenvoud en functionaliteit op een bijzondere manier samen te brengen.

Toch was Braakman meer dan alleen een meubelontwerper. Hij stond aan de basis van een ingrijpende verandering binnen de Nederlandse meubelindustrie, waarin traditionele meubelproductie langzaam plaatsmaakte voor nieuwe materialen, industriële technieken en een moderne manier van wonen.

Maar wie was Cees Braakman eigenlijk? En hoe wist hij van een traditionele Utrechtse meubelfabriek een van de bekendste namen binnen het Dutch design te maken?

Een jeugd tussen de meubels

Cees Braakman werd op 28 oktober 1917 geboren in Utrecht, als jongste zoon van Dirk Lubertus Braakman (1885–1966). Zijn vader was bedrijfsleider en ontwerper bij de Utrechtsche Machinale Stoel- en Meubelfabriek (UMS), de voorloper van het latere Pastoe.

De meubelindustrie speelde dan ook vanaf jonge leeftijd een belangrijke rol in zijn leven. In 1934, op slechts zeventienjarige leeftijd, trad hij zelf in dienst bij UMS. Daar leerde hij het vak van binnenuit kennen, van de verschillende materialen en constructietechnieken tot de mogelijkheden en beperkingen van machinale meubelproductie.

Anders dan veel ontwerpers die een kunstacademie of technische opleiding volgden, ontwikkelde Braakman zijn kennis voornamelijk in de praktijk. Die achtergrond zou later duidelijk zichtbaar worden in zijn werk. Hij dacht niet uitsluitend vanuit de vormgeving, maar hield ook rekening met hoe een meubel geproduceerd moest worden.

Om zijn verdere carrière goed te begrijpen, moeten we echter eerst iets verder terug in de geschiedenis van de fabriek.

Pastoe fabriek

De geschiedenis van UMS: van meubelwerkplaats tot grote fabriek

De oorsprong van Pastoe ligt in 1913, toen de Utrechtse ondernemer Frits Loeb besloot zelf stoelen te laten produceren voor zijn meubelwinkel. Op 13 april van dat jaar richtte hij de Utrechtsche Machinale Stoel- en Meubelfabriek op.

Wat begon als een kleine werkplaats aan de Oosterkade, groeide al snel uit tot een serieuze meubelfabrikant. In 1918 verhuisde UMS naar het Rotsoord in Utrecht, waar de voormalige gebouwen van een aardewerkfabriek voldoende ruimte boden voor verdere uitbreiding.

Onder leiding van onder anderen Dirk Braakman ontwikkelde het bedrijf zich tot een moderne, industrieel ingerichte meubelfabriek. In 1929 werkten er al ruim tweehonderd mensen, tegenover slechts 38 werknemers in 1918.

De collecties waren destijds heel anders dan de meubels waarmee Pastoe later bekend zou worden. UMS produceerde een breed assortiment, van traditionele slaapkamerameublementen tot meubels met invloeden uit de Amsterdamse School en Haagse School.

Hoewel de fabriek beschikte over moderne machines en productietechnieken, bleef de vormgeving grotendeels afgestemd op de smaak van het grote publiek. Traditionele meubels verkochten nu eenmaal beter dan de experimentele ontwerpen van de internationale avant-garde.

Ook tijdens de economische crisis van de jaren ’30 bleef UMS investeren in productie en presentatie. De fabriek nam regelmatig deel aan de Utrechtse Jaarbeurs en bouwde een uitgebreid verkoopnetwerk op.

Toen Cees Braakman in 1934 bij het bedrijf begon, kwam hij dus terecht in een gevestigde meubelfabriek die industrieel vooruitstrevend was, maar qua vormgeving nog sterk vasthield aan traditie.

De Tweede Wereldoorlog als keerpunt

De Tweede Wereldoorlog betekende een ingrijpende breuk in de geschiedenis van UMS. Tijdens de Duitse bezetting werd de fabriek grotendeels ontmanteld en verdween een belangrijk deel van het machinepark.

Toen de oorlog in 1945 eindigde, stond het bedrijf voor een moeilijke opgave. De productie moest vrijwel vanaf de grond opnieuw worden opgebouwd, terwijl Nederland kampte met schaarste aan materialen en een grote behoefte aan nieuwe meubels. Een deel van de machines werd teruggevonden en UMS hervatte op bescheiden schaal de productie, onder andere voor warenhuizen zoals Vroom & Dreesmann en de Bijenkorf.

Deze moeilijke periode bood tegelijkertijd een onverwachte mogelijkheid. Omdat de fabriek opnieuw moest worden ingericht, ontstond ruimte om ook de manier van produceren en het assortiment kritisch te herzien.

Nederland veranderde bovendien snel. De wederopbouw bracht een grote vraag naar woningen met zich mee, die vaak kleiner waren dan voor de oorlog. Zware, omvangrijke meubels pasten steeds minder goed bij deze nieuwe woonomgeving. Organisaties zoals Stichting Goed Wonen, opgericht in 1946, pleitten voor praktische en betaalbare meubels met een eenvoudige vormgeving. UMS werkte ook aan meubels die via deze stichting op de markt werden gebracht.

De ontwikkeling sloot nauw aan bij de ideeën die Cees Braakman in deze periode begon te ontwikkelen. Een modern interieur vroeg niet alleen om andere meubels, maar ook om een andere manier van ontwerpen en produceren.

1947: een studiereis naar Amerika

Een van de belangrijkste gebeurtenissen in Braakmans carrière was zijn studiereis naar de Verenigde Staten in 1947.

De Amerikaanse meubelindustrie was op verschillende gebieden verder ontwikkeld dan de Europese. Fabrikanten experimenteerden met nieuwe materialen, machinale productiemethoden en meubels die geschikt waren voor productie op grotere schaal. Braakman maakte er kennis met het werk van Charles en Ray Eames, die samen met fabrikant Herman Miller de mogelijkheden van moderne meubelproductie onderzochten.

Vooral het gebruik van gebogen multiplex maakte indruk. Door dunne lagen hout onder druk en met lijm samen te voegen, konden sterke, gebogen vormen worden vervaardigd. Deze techniek maakte het mogelijk om met relatief weinig materiaal lichte en comfortabele meubels te produceren.

Terug in Nederland begon Braakman te experimenteren met deze nieuwe mogelijkheden. De invloed van de Eames-ontwerpen is duidelijk herkenbaar in zijn vroege stoelen. Toch was zijn belangrijkste bijdrage niet het uitvinden van volledig nieuwe technieken, maar het vertalen van internationale ontwikkelingen naar de Nederlandse meubelindustrie.

Daarbij speelde zijn ervaring binnen de fabriek een belangrijke rol. Braakman wist welke materialen en productiemethoden beschikbaar waren en hoe deze op een efficiënte manier konden worden toegepast.

In 1948 volgde hij zijn vader op als bedrijfsleider en hoofdontwerper. Daarmee begon een nieuwe periode in de geschiedenis van UMS.

Van UMS naar Pastoe: een nieuwe identiteit

In hetzelfde jaar introduceerde UMS een modern slaapkamerameublement onder de naam Pas-Toe. De naam was een woordspeling op het Franse passe-partout en verwees naar meubels die in uiteenlopende interieurs konden worden toegepast.

Dat idee sloot aan bij een nieuwe ontwerpfilosofie. Meubels moesten niet langer uitsluitend als onderdeel van een compleet ameublement worden verkocht, maar afzonderlijk gecombineerd en aangepast kunnen worden aan de beschikbare ruimte. De nadruk verschoof naar eenvoudige constructies, heldere vormen en efficiënt materiaalgebruik. Ook begon het bedrijf zich steeds sterker te specialiseren in opbergmeubels.

In 1954 werd Pastoe officieel de merknaam waaronder de meubels van UMS werden verkocht. De fabriek liet daarmee haar traditionele uitstraling achter zich en ontwikkelde een herkenbare, moderne identiteit. Cees Braakman speelde een centrale rol in deze overgang.

De Eikenserie (1948): het begin van een nieuwe vormentaal

Een van de eerste collecties waarmee de verandering zichtbaar werd, was de Eikenserie, geïntroduceerd in 1948.

De meubels uit deze serie werden uitgevoerd in eikenhout en eikenfineer en hadden een sobere, geometrische vormgeving. Waar traditionele meubelstukken vaak rijkelijk waren voorzien van sierlijsten en ornamenten, liet Braakman deze details grotendeels achterwege. In plaats daarvan draaide het ontwerp om de constructie en de verhouding tussen de verschillende onderdelen.

De serie bestond uit verschillende opbergmeubels, waaronder dressoirs, boekenkasten en compacte wandkasten. Het bekende DE01 dressoiren de BE04 boekenkast zijn goede voorbeelden van deze vroege ontwerpperiode. De Eikenserie bleef tot 1959 in productie en vormde een belangrijke stap in de ontwikkeling van de modernere Pastoe-collecties.

De Berkenserie (1950): een nieuwe kijk op hout

Met de introductie van de Berkenserie rond 1950 ging Braakman nog een stap verder. De collectie werd grotendeels uitgevoerd in licht berkenhout en gebogen multiplex. Vooral de karakteristieke luspootjes werden een herkenbaar onderdeel van de serie. Deze U-vormige, gelamineerde poten waren technisch interessant omdat ze lieten zien hoe gebogen hout niet alleen decoratief, maar ook constructief kon worden toegepast.

Een bekend voorbeeld is het DB02 dressoir, waarbij de rechthoekige kast rust op vier sierlijk gebogen luspootjes. Naast opbergmeubels omvatte de serie ook bureaus, tafels en verschillende eetkamerstoelen. Modellen zoals de SB11 en SB16 laten duidelijk de invloed van het Amerikaanse modernisme zien, met lichte constructies en gebogen houten onderdelen.

In de loop van de jaren werd de serie verder ontwikkeld. Vanaf 1955 verschenen ook uitvoeringen met teakfineer, waardoor de meubels gemakkelijker gecombineerd konden worden met de overige Pastoe-collecties.

De Berkenserie groeide uit tot een van Braakmans meest herkenbare ontwerpen. De meubels combineren een sobere vormgeving met opvallend speelse constructies en weerspiegelen daarmee het optimisme van de wederopbouwperiode.

Pastoe naar Maat (1955): een revolutionair kastsysteem

Misschien wel Braakmans belangrijkste bijdrage aan de Nederlandse meubelgeschiedenis kwam in 1955, met de introductie van Pastoe naar Maat, internationaal bekend als Made to Measure.

In plaats van complete, vooraf samengestelde kasten aan te bieden, ontwikkelde Pastoe een systeem waarmee consumenten zelf hun ideale opbergmeubel konden samenstellen. Het principe was eenvoudig: verschillende gestandaardiseerde onderdelen konden met elkaar worden gecombineerd tot een kast die aansloot bij de ruimte en de persoonlijke wensen van de eigenaar.

Een bijzonder onderdeel was het speciale hoeklijstsysteem, waarmee panelen in verschillende richtingen gemonteerd konden worden. Hierdoor ontstonden demontabele meubels die later bovendien aangepast of uitgebreid konden worden. De eerste uitvoeringen werden voornamelijk gemaakt in teakfineer, vaak gecombineerd met witte of zwarte panelen.

Voor de jaren ’50 was dit een vooruitstrevend concept. Het idee dat een kast kon meegroeien met een huishouden sloot nauw aan bij de veranderende wooncultuur van de wederopbouw. Het succes bleef echter niet beperkt tot Nederland. In 1957 ontving Pastoe internationale erkenning, waaronder een onderscheiding op de elfde Triënnale van Milaan en de Belgische designprijs Le Signe d'Or.

Het betekende een belangrijke stap in de internationale bekendheid van Pastoe.

De U+N-serie (1958): de beroemde Japanse serie

In 1958 introduceerde Braakman een nieuwe kastenserie die tegenwoordig behoort tot zijn bekendste werk: de U+N-serie, vaak aangeduid als de Japanse serie.

Waar Pastoe naar Maat draaide om het combineren van losse onderdelen, kenmerkte de U+N-serie zich door zelfstandige meubels met een zorgvuldig vastgelegde vormgeving. De kasten werden voornamelijk uitgevoerd in teakfineer, met grote vlakke fronten, verzonken kunststof handgrepen en slanke metalen onderstellen.

De bijnaam Japanse serie verwijst naar de ingetogen vormgeving, waarin eenvoud, rustige verhoudingen en verfijnde details centraal staan. Modellen zoals de CU01, CU08 en CU05 werden herkenbare voorbeelden van de nieuwe Pastoe-stijl. Achter de sobere buitenzijde gingen vaak ingenieuze opbergoplossingen schuil, zoals uitklapbare werkbladen, verschillende ladensystemen en zorgvuldig ingedeelde opbergvakken. Ook salontafels zoals de TU04, met een omkeerbaar blad van teak en wit Formica, laten de aandacht voor functionaliteit zien.

De U+N-serie markeerde een verdere ontwikkeling in Braakmans werk. De gebogen vormen van de Berkenserie maakten steeds vaker plaats voor strakke, rechthoekige constructies, waarbij het materiaalgebruik en de onderlinge verhoudingen het ontwerp bepaalden.

De SM05 (1958): experimenteren met staal

Hoewel Braakman vooral bekendstaat om zijn houten meubels en kasten, experimenteerde hij ook met andere materialen.

Een van zijn bekendste ontwerpen is de SM05 draadstoel uit 1958, die hij samen met Adriaan Dekker (voornamelijk bekend van het Tomado wandrek) ontwikkelde. De stoel bestaat uit een open constructie van gebogen en gelast staaldraad. Daarmee sloot het ontwerp aan bij internationale ontwikkelingen binnen het meubeldesign, waarbij ook ontwerpers zoals Harry Bertoia en Charles en Ray Eames de mogelijkheden van draadstaal onderzochten.

De SM05 onderscheidde zich door zijn lichte, transparante constructie en het vrijwel volledig ontbreken van overbodige onderdelen. Het ontwerp laat goed zien dat Braakmans belangstelling niet beperkt bleef tot hout. Ook bij metaal onderzocht hij hoe een eenvoudige constructie kon leiden tot een functioneel en herkenbaar meubel.

De SM05 groeide uit tot een van de bekendste Nederlandse draadstoelen en behoort inmiddels tot de klassiekers van Pastoe.

De jaren ’60: verdere ontwikkeling van het modulaire meubel

In de jaren ’60 bleef Braakman zich bezighouden met de ontwikkeling van flexibele opbergsystemen. Met de 125M-serie uit 1965 werd het modulaire principe van Pastoe naar Maat verder ontwikkeld. Losse elementen konden met elkaar worden verbonden tot grotere kastenwanden, die nauwkeuriger aansloten op de beschikbare ruimte.

Rond dezelfde periode ontstond ook het Q-bus-systeem, een reeks modulaire kastelementen die op verschillende manieren gecombineerd konden worden. In 1967 kreeg het ontwerp onder meer bekendheid door een affiche van grafisch ontwerper Dick Bruna.

Deze ontwikkeling paste bij de veranderende wooncultuur. Interieurs werden informeler, consumenten wilden meer vrijheid bij de inrichting van hun woning en meubels moesten zich kunnen aanpassen aan uiteenlopende situaties.

Braakman bleef zoeken naar manieren om industriële productie te combineren met individuele keuzevrijheid. De systemen werden technisch steeds verder ontwikkeld, terwijl de buitenzijde juist eenvoudiger werd.

Pastoe als internationaal designmerk

Affiche Theo Stradmann voor Pastoe

Het succes van Pastoe kwam niet uitsluitend voort uit de ontwerpen zelf. De fabriek besteedde ook veel aandacht aan de manier waarop de collecties werden gepresenteerd. In de jaren ’50 en ’60 werkte Pastoe samen met bekende grafisch ontwerpers, fotografen en interieurvormgevers, waaronder Dick Bruna, Otto Treumann, Harry Sierman, Benno Premsela en Jan Versnel.

Zij hielpen een herkenbare visuele identiteit op te bouwen, met moderne catalogi, affiches en zorgvuldig geënsceneerde interieurfoto's. De meubels werden niet langer uitsluitend als losse producten gepresenteerd, maar als onderdeel van een moderne manier van wonen.

Ook de internationale erkenning groeide. Naast de onderscheidingen uit 1957 ontving Braakman in 1960 het Gouden Kenteken in Brussel en in 1968 de BKI-prijs, een belangrijke Nederlandse onderscheiding op het gebied van industriële vormgeving.

Hiermee werd zijn bijdrage aan de ontwikkeling van het Nederlandse meubeldesign ook buiten de fabriek erkend.

De jaren ’70: een veranderende meubelindustrie

Na de succesvolle jaren ’50 en ’60 kreeg de Nederlandse meubelindustrie het in de jaren ’70 steeds moeilijker. De economische recessie zorgde voor teruglopende verkopen, terwijl ook de smaak van consumenten veranderde. De vraag naar moderne, strak vormgegeven meubels stagneerde.

Ook Pastoe kreeg met deze ontwikkelingen te maken. Pogingen om nieuwe doelgroepen te bereiken door het assortiment aan te passen, leverden niet het gewenste resultaat op. Tegen het einde van het decennium moest de productie sterk worden ingekrompen. Voor de fabriek betekende dit opnieuw een moeilijke periode, vergelijkbaar met eerdere momenten uit haar geschiedenis.

In 1978 eindigde Braakmans lange loopbaan bij Pastoe. Hij had toen ruim veertig jaar bij de fabriek gewerkt en gedurende drie decennia een bepalende rol gespeeld in de ontwikkeling van de collecties. Pastoe zou zich in de daaropvolgende jaren opnieuw richten op haar oorspronkelijke uitgangspunten: hoogwaardige meubels met een heldere, functionele vormgeving.

De nalatenschap van Cees Braakman

Cees Braakman overleed op 5 maart 1995 in Utrecht, de stad waar hij zijn hele leven nauw mee verbonden was geweest. Zijn betekenis voor de Nederlandse meubelgeschiedenis ligt niet alleen in de bekende ontwerpen die hij naliet, maar vooral in zijn bijdrage aan de ontwikkeling van industrieel geproduceerd, modern meubilair.

Braakman werkte niet als een zelfstandige ontwerper die zijn meubels aan verschillende fabrikanten verkocht. Zijn carrière speelde zich grotendeels af binnen één fabriek, waar hij nauw samenwerkte met technici, meubelmakers en andere ontwerpers. Juist die combinatie van ontwerp en productie maakte zijn werk bijzonder.

Zijn meubels werden oorspronkelijk niet ontwikkeld als exclusieve verzamelobjecten, maar als praktische gebruiksvoorwerpen voor het dagelijks leven. Dat ze tegenwoordig in verschillende museumcollecties zijn opgenomen, waaronder die van het Centraal Museum Utrecht, laat zien welke plaats zijn werk inmiddels binnen de Nederlandse designgeschiedenis heeft gekregen.

Van de vroege Eikenserie tot de Berkenserie, de innovatieve modulaire kastensystemen en de bekende SM05: Braakman bleef gedurende zijn carrière zoeken naar nieuwe manieren om meubels eenvoudiger, functioneler en toegankelijker te maken. Daarmee groeide hij uit tot een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het naoorlogse Dutch design en drukte hij een blijvend stempel op de geschiedenis van Pastoe.

 

Ontwerpen van Cees Braakman

 

Interessant artikel? Deel het!

Vorige
Vorige

Louis van Teeffelen: de ontwerper achter het succes van Wébé

Volgende
Volgende

Messing poetsen: 5 effectieve manieren met stappenplan